|
Een polder is een door dijken omsloten gebied, waarin de waterstand kunstmatig
wordt geregeld. Het ligt lager dan het omringende land. De polder wordt doorsneden
door een stelsel van sloten, vaarten en weteringen. De waterstand wordt door middel
van bemaling op een bepaald peil gehouden. In droge perioden wordt er water ingelaten,
terwijl in natte perioden overtollig polderwater via een sluis, molen of gemaal
naar ‘buiten’ wordt gepompt. Dit noemen we spuien. Buiten de polder komt het gespuide
water in de zogenaamde boezem terecht, een stelsel van rivieren en meren waarin
het water uit alle omringende polders kan worden opgeslagen. In laag Nederland bestaat
een groot deel van het bewoonbare oppervlak uit polderland.
Mensenhanden
Elke polder is volledig door mensenhanden geschapen. Vroeger was ons land overgeleverd
aan de grillen van de zee en de rivieren. Rond het jaar 1000 begon men overal in
Nederland dijken aan te leggen om zich tegen deze invloeden te beschermen. Toen
men vervolgens het gebied achter de dijken wilde ontginnen voor de landbouw, was
er een probleem: de dijken belemmerden de natuurlijke afwatering van overtollig
water, er kon niets in maar er kon ook niets uit. Daarom werd een heel systeem van
sloten, tochten en sluisjes aangelegd om de waterhuishouding in het binnendijkse
land te reguleren. In eerste instantie deden de boeren dat allemaal zelf en naar
eigen inzicht. Tegenwoordig wordt het waterpeil in de polder bepaald door het Waterschap.
Spannende relatie
In de polder is een aparte ‘poldernatuur’ ontstaan die heel divers is: er komen
onder meer weidevogels, kikkers, padden, libellen, waterdieren en verschillende
water- en oeverplanten in voor. De relatie landbouw - natuur is spannend: zonder
landbouw zou er geen poldernatuur bestaan maar een al te intensieve landbouw vormt
een bedreiging voor diezelfde natuur.
Bron: Slootbeheer in de Eempolder, werkstuk natuurgidsencursus 2004/2005, door Marianne
Diesfeldt en Sylvia Birnie
|